Het verschil tussen beaucoup (veel) en très (zeer, erg) in het Frans
Franse grammatica uitleg met Frantastique.
Verbeter je Frans en test gratis onze cursus frans online.
Het verschil tussen beaucoup (veel) en très (zeer, erg)
Beaucoup (veel) en très (zeer, heel) worden op een andere manier gebruikt:
- Met een werkwoord gebruik je beaucoup (veel) en het komt erna:
Ik hou heel veel van pizza.
Mijn moeder praat veel.
- Met een zelfstandig naamwoord gebruik je beaucoup + de, en dit komt ervoor:
Er zijn veel toeristen in Parijs.
Wat heb jij veel geluk!
- Met een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord gebruik je très (zeer, erg) en het staat ervóór:
Londen is een heel grote stad.
Théo loopt heel snel.
Je zingt heel goed!
- Met avoir faim, soif, mal, envie, peur, etc. gebruik je très (heel, erg):
Ik heb heel veel honger!
We willen Victor heel graag ontmoeten.
Beaucoup of très? Kies de juiste optie.
Mon chien est intelligent.
Il y a de touristes ici.
Ce train va vite.
Beaucoup of très? Kies de juiste optie.
Mon chien est très 1 intelligent.
Il y a beaucoup 2 de touristes ici.
Ce train va très 3 vite.
Mon chien est très intelligent (Mijn hond is zeer intelligent). Om meer informatie te geven over een bijvoeglijk naamwoord, hier intelligent, gebruikt men très (zeer, heel). Voorbeeld: Nina est très calme (Nina is zeer kalm).
Beaucoup (veel) gebruik je gewoonlijk bij een werkwoord. Bij het bijvoeglijk naamwoord intelligent (intelligent) heb je très (zeer, heel) nodig. Voorbeeld: mon chat dort beaucoup (mijn kat slaapt veel).
Il y a beaucoup de touristes ici (er zijn hier veel toeristen). Vóór een zelfstandig naamwoord, hier touristes (toeristen), gebruik je beaucoup + de (veel). Vb.: il faut manger beaucoup de légumes (je moet veel groenten eten).
Très (zeer, heel) kun je gebruiken met een bijvoeglijk naamwoord, maar niet met een zelfstandig naamwoord zoals hier touristes (toeristen). Voorbeeld: cet appartement est très petit (dit appartement is heel klein).
Ce train va très vite (Deze trein rijdt heel snel). Voor woorden als vite (snel), lentement (langzaam), souvent (vaak) enz. gebruik je très (heel, erg). Voorbeeld: Paul parle très doucement (Paul spreekt heel zachtjes).
Beaucoup (veel) gebruik je na een werkwoord, niet bij een bijwoord als vite (snel). Voorbeeld: ma mère aime beaucoup ce jardin (mijn moeder houdt veel van deze tuin).
Beaucoup of très? Kies de juiste optie.
Je t'aime .
Ce livre est intéressant.
Louis a d'amis.
Beaucoup of très? Kies de juiste optie.
Je t'aime beaucoup 1.
Ce livre est très 2 intéressant.
Louis a beaucoup 3 d'amis.
Je t'aime beaucoup (Ik hou veel van jou). Beaucoup (veel) geeft meer informatie over een werkwoord, hier aime. Voorbeeld: j'aime beaucoup le cinéma (ik ga graag naar de bioscoop).
Très (zeer, erg) gebruik je met een bijvoeglijk naamwoord, maar niet met een werkwoord zoals hier (aime). Voorbeeld: ces spaghettis sont très bons (deze spaghetti is erg lekker).
Ce livre est très intéressant (Dit boek is zeer interessant). Met een bijvoeglijk naamwoord, hier intéressant (interessant), gebruik je alleen très (zeer, heel). Voorbeeld: Marie est très contente (Marie is heel blij).
Beaucoup (veel) gebruik je met een werkwoord, niet met een bijvoeglijk naamwoord zoals intéressant (interessant). Voorbeeld: Magda voyage beaucoup (Magda reist veel).
Louis a beaucoup d'amis (Louis heeft veel vrienden). Vóór een zelfstandig naamwoord, hier amis (vrienden), gebruik je beaucoup + de/d' (veel). Voorbeeld: Anna a beaucoup de travail (Anna heeft veel werk).
Très (zeer, erg) gebruik je alleen vóór een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord. Bij het zelfstandig naamwoord amis (vrienden) gebruik je beaucoup d' (veel). Voorbeeld: cette baguette est très bonne (dit stokbrood is erg lekker).
Beaucoup of très? Kies de juiste optie.
Roger chante bien.
Carla a de chaussures.
Paul parle .
Beaucoup of très? Kies de juiste optie.
Roger chante très 1 bien.
Carla a beaucoup 2 de chaussures.
Paul parle beaucoup 3.
Roger chante très bien (Roger zingt zeer goed). Vóór woorden als bien (goed) of mal (slecht) gebruik je altijd très (zeer, erg). Voorbeeld: Thomas conduit très mal (Thomas rijdt zeer slecht).
Beaucoup (veel) gebruik je bij een werkwoord, niet bij een bijwoord zoals bien (goed). Voorbeeld: Théo voyage beaucoup (Théo reist veel).
Carla a beaucoup de chaussures (Carla heeft veel schoenen). Vóór een zelfstandig naamwoord (hier chaussures) gebruik je beaucoup + de (veel). Voorbeeld: cet homme a beaucoup d'argent (deze man heeft veel geld).
Très (heel, erg) gebruik je bij een bijvoeglijk naamwoord, niet bij een zelfstandig naamwoord zoals chaussures (schoenen). Voorbeeld: ton frère est très sympa ! (jouw broer is heel aardig!)
Paul parle beaucoup (Paul praat veel). Na een werkwoord, hier parle (praat), gebruik je beaucoup (veel). Voorbeeld: les enfants s'amusent beaucoup (de kinderen vermaken zich heel erg).
Je kunt wel Paul parle très vite (Paul praat heel snel) zeggen, maar na parle (praat) alleen moet je hier beaucoup (veel) gebruiken.
Heb je nog steeds moeite met 'Het verschil tussen beaucoup (veel) en très (zeer, erg)'? Wil je je Frans verbeteren? Test onze Franse les online en ontvang een gratis niveaubeoordeling!
Dit zeggen onze cursisten over ons:
Schaaf je Frans bij en test Frantastique, cursus Frans online.
