De vraagwoorden in het Frans
Franse grammatica uitleg met Frantastique.
Verbeter je Frans en test gratis onze cursus frans online.
De vraagwoorden
Qu'est-ce que tu fais ? Que fais-tu ? (Wat doe jij?)
Je kunt ook vragen stellen met het woord quel (welk, wat).
Kies het juiste vraagwoord op basis van het antwoord. Niet alle woorden worden gebruikt.
Ils habitent à Bruxelles. → habitent-ils ?
Je m’appelle Nadia. → vous vous appelez ?
J’arrive à 15h00. → est-ce que tu arrives ?
Kies het juiste vraagwoord op basis van het antwoord. Niet alle woorden worden gebruikt.
Ils habitent à Bruxelles. → où 1 habitent-ils ?
Je m’appelle Nadia. → Comment 2 vous vous appelez ?
J’arrive à 15h00. → Quand 3 est-ce que tu arrives ?
Où habitent-ils ? (Waar wonen zij?) → Ils habitent à Bruxelles (Ze wonen in Brussel). Met où (waar) vraag je naar een plaats. Andere voorbeelden: Où vas-tu en vacances ? - Je vais à Cannes (Waar ga jij op vakantie? - Ik ga naar Cannes).
Comment vous vous appelez ? (Hoe heet u?) → Je m'appelle Nadia (Ik heet Nadia). Om naar iemands naam te vragen, gebruik je comment (hoe) + het werkwoord s'appeler (heten, hier appelez-vous). Voorbeeld: Comment s'appelle votre chien ? - Il s'appelle Rambo. (Hoe heet uw hond? - Hij heet Rambo.)
Quand est-ce que tu arrives ? (Wanneer kom jij aan?) → J'arrive à 15h00. Quand wordt gebruikt om een tijdsvraag te stellen. Vb. - Quand arrive le bus ? (Wanneer komt de bus?) - Dans 5 minutes (Over 5 minuten).
Kies het juiste vraagwoord op basis van de antwoorden. Niet alle woorden worden gebruikt.
Tu aimes ? – J’aime le chocolat.
tu veux ? – Je veux un café.
dessinent-ils ? – Ils dessinent une maison.
Kies het juiste vraagwoord op basis van de antwoorden. Niet alle woorden worden gebruikt.
Tu aimes quoi 1 ? – J’aime le chocolat.
qu'est-ce que 2 tu veux ? – Je veux un café.
que 3 dessinent-ils ? – Ils dessinent une maison.
Tu aimes quoi ? - J'aime le chocolat (Wat vind jij lekker? - Ik hou van chocolade). Quoi (wat) is de informele variant van que: Qu'aimes-tu → Tu aimes quoi ? (formeel → informeel). Het wordt gebruikt om een vraag te stellen over een ding. Opmerking: met quoi worden het werkwoord en het onderwerp niet omgekeerd. Voorbeeld: - Vous faites quoi ? - Nous faisons des crêpes (Wat doen jullie? - We maken pannenkoeken).
Qu'est-ce que tu veux ? - Je veux un café (Wat wil jij? - Ik wil een koffie). Qu'est-ce que vervangt que (wat) in een informelle (informele) vraag en staat altijd aan het begin van de vraag. Herinnering: met qu'est-ce que volgt eerst het onderwerp en dan het werkwoord. Vb.: - Qu'est-ce que tu fais ? - Je prépare le dîner (Wat doe jij? - Ik maak het avondeten klaar) ; Qu'est-ce que tu manges ? - Je mange un sandwich (Wat eet jij? - Ik eet een boterham).
Que dessinent-ils ? - Ils dessinent une maison (Wat tekenen ze? - Ze tekenen een huis). Que (wat) is de formele manier om naar een ding of handeling te vragen. Herinnering: que staat altijd aan het begin van de vraag met omgekeerde werkwoords- en onderwoordsvolgorde. Vb.: - Que fait-elle ? - Une tarte (Wat maakt ze? - Een taart) ; - Que font-ils ? - Ils dansent (Wat doen ze? - Ze dansen).
Heb je nog steeds moeite met 'De vraagwoorden'? Wil je je Frans verbeteren? Test onze Franse les online en ontvang een gratis niveaubeoordeling!
Dit zeggen onze cursisten over ons:
Schaaf je Frans bij en test Frantastique, cursus Frans online.
