Start >> Franse grammatica >> Le passé simple : les verbes vouloir, pouvoir et valoir

Le passé simple : les verbes vouloir, pouvoir et valoir

Franse grammatica tips met Frantastique.
Verbeter je Frans en test gratis onze online Franse lessen.

Le passé simple : les verbes vouloir, pouvoir et valoir

De werkwoorden vouloir, pouvoir en valoir worden in de passé simple als volgt vervoegd:

vouloir nl
Je voulus
Tu voulus
Il voulut
Nous voulûmes
Vous voulûtes
Ils voulurent
pouvoir nl
Je pus
Tu pus
Il put
Nous pûmes
Vous pûtes
Ils purent
valoir nl
Je valus
Tu valus
Il valut
Nous valûmes
Vous valûtes
Ils valurent
« Elle voulut le faire entrer dans sa cellule (...) - Non, non, dit-il, le hibou n’entre pas dans le nid de l’alouette. »
Ze wilde hem in haar cel laten.... -"Nee, nee", zei hij, "de uil komt niet in het nest van de leeuwerik."
(Notre-Dame de Paris, Victor Hugo.)
Opmerking: De passé simple wordt voornamelijk gebruikt in formeel, literair Frans voor het beschrijven van specifieke of voltooide handelingen in het verleden.


Zo kom je verder...

Heb je nog steeds moeite met 'Le passé simple : les verbes vouloir, pouvoir et valoir'? Wil je je Frans verbeteren? Test onze online Franse lessen en ontvang een gratis niveaubeoordeling!

Heb je een tip om fouten te voorkomen met 'Le passé simple : les verbes vouloir, pouvoir et valoir'? Deel hem met ons!

Schaaf je Frans bij en test Frantastique, de online Franse lessen.