aller à (la boulangerie) : naar (de bakker) gaanaller, présent
- Où allez-vous ? - Je vais à Londres. -Waar ga je heen? Ik ga naar Londen.
venir de (la boulangerie) : van (de bakker) komenvenir, présent
Edward est anglais, il vient de Londres. Edward is Engels. Hij komt uit Londen.
partir : vertrekkenpartir, présent
À quelle heure part le train (de la gare) ? Hoe laat de trein vertrekt (van het station)?
Opmerking:
We zeggen niet je vais maar je pars (ik vertrek) of je m’en vais (ik ga er vandoor).
We zeggen niet tu vas avec nous ? maar tu viens avec nous ? (kom je met ons mee?).
We zeggen niet nous allons à sept heures maar nous partons à sept heures (we vetrekken om 7 uur).

Heb je nog steeds moeite met 'Aller-venir-partir'? Wil je je Frans verbeteren? Test onze online Franse lessen en ontvang een gratis niveaubeoordeling!



Dit zeggen onze cursisten over ons:

Plezier

         

Ik vind het leuk om mijn Franse taalcursussen online te volgen. Ongeveer tien minuten per dag is genoeg... Bedankt!

Innovatief

         

Ik hou van jullie innovatieve methode om een taal te leren en tegelijkertijd plezier te hebben!

Uniek

         

Jullie methode is uniek! De cursussen hebben mij geholpen om vooruitgang te boeken en vol vertrouwen naar mijn uitwisselingen in het buitenland te gaan.

Vooruitgang

         

Gymglish heeft me in staat gesteld mijn mondelinge en schriftelijke vaardigheden in het Frans te verbeteren. Een dagelijkse routine die ik niet zou willen missen!

Meer getuigenissen.

Heb je een slim ezelsbruggetje om deze regel te onthouden? Een tip om fouten met 'Aller-venir-partir' te voorkomen? Deel hem met ons!

Schaaf je Frans bij en test gratis Frantastique, cursus Franse online.